zaterdag 24 februari 2018

Kritiek van de zuivere rede. Deel C.

Dit is deel C van het verhaal over de kritiek van de zuivere rede. Deel C is het kwaliteitssysteem voor het denken. Deel C valt uiteen in de canon (in hoofdstuk 1) en de discipline (in hoofdstuk 2). De term canon neem ik over Kant en het betekent dat een begrippenkader en criteria worden geboden om waarheden van onwaarheden te scheiden, er wordt nadrukkelijk niet een instrument geboden om waarheden te creëren.

Hieronder gaat het over de esthetica, de logica, de analytica en de dialectiek. Goede moderne Nederlandse woorden hiervoor zijn: de aanschouwing, het kenvermogen, de begripsvorming (het verstand) en de ideevorming (de rede). De logica omvat de analytica en de dialectiek. Het woord "transcendentaal" in de paragraaftitels en in de tekst betekent dat we ons bezighouden met de vorm van het weten zelf, oftewel het weten op zich.

1. De canon

1.1 Kennis

Analytische en synthetische oordelen
Kant maakt eerst een onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen. Analytische oordelen zijn verklarende oordelen en dat omvat met name het categoriseren en het specificeren. Synthetische oordelen zijn uitbreidende oordelen. Kant schrijft: "Als ik bijvoorbeeld zeg: Alle lichamen hebben uitgebreidheid, dan is dat een analytisch oordeel. Want ik hoef me niet boven het begrip uit te begeven dat ik aan 'lichaam' koppel, om te zien dat uitgebreidheid daarmee verbonden is. Ik hoef dit begrip alleen maar te analyseren, dat wil zeggen ik hoef me het menigvuldige dat ik met dit begrip denk alleen bewust te worden, om dat predikaat erin aan te treffen, en dus is het een analytisch oordeel. Maar als ik zeg: Alle lichamen hebben gewicht, dan is het predikaat iets heel anders dan wat ik met enkel het begrip lichaam in het algemeen denk. De toevoeging van een dergelijk predikaat levert dus een synthetisch oordeel op."

Ervaringsoordelen en metafysische oordelen
Kant schrijft: "Er kan geen twijfel over bestaan dat al onze kennis begint met ervaring", maar "hoewel al onze kennis begint met ervaring, ontspringt daarom nog niet alle kennis uit de ervaring." Ervaringsoordelen, zoals "mensen zijn sterfelijk" of "gras is groen", zijn volgens Kant synthetische oordelen. Over dergelijke oordelen kan men lang en kort praten, maar de aanschouwing of de ervaring geven de doorslag; ze leveren bewijs. Oordelen van de zuivere rede hebben dit voordeel van de ervaring en het bewijs niet; de zuivere rede gaat op grond van louter begrippen te werk en dit leidt tot synthetische maar metafysische oordelen, oftewel ideeën. Metafysische oordelen zijn bijvoorbeeld morele wetten en kwaliteitscriteria.

De treden naar kennis
Kant maakt bij het weten onderscheid tussen de zintuigen, het verstand en de zuivere rede en ook tussen aanschouwingen, begrippen en ideeën. De aanschouwing is "het vermogen voorstellingen te ontvangen" oftewel "de receptiviteit van de indrukken". De aanschouwingen worden gevormd door de zintuigen. Het verstand is het denken dat begrippen van aanschouwingen vormt, de zuivere rede is het denken dat de begrippen ordent en dat ideeën voortbrengt, en waarvoor bijvoorbeeld ook het verstand zelf een 'object' is. Het grondgebied van de zintuigen is de empirie, het grondgebied van het verstand is de theorie, het grondgebied van de zuivere rede is de metafysica. Dit idee is in onderstaand schema verbeeld.


Een specifieke vorm van de metafysica is de speculatieve metafysica; de speculatieve metafysica is gespeend van begrippen en bestaat louter nog uit ideeën. Kant schrijft: "alle conclusies (oordelen) die ons het domein van de mogelijke ervaring willen doen ontstijgen (zijn) bedrieglijk en op niets gebaseerd". Transcendentale ideeën mogen dus "nooit zo (worden gebruikt) dat daardoor begrippen van bepaalde objecten gegeven worden"Mede op grond van dit begrip verwijst Kant alle 'bewijzen' voor het bestaan van God naar het domein van de speculatieve metafysica. De 'bewijzen' voor God waarmee Kant afrekent zijn het ontologisch bewijs, het kosmologisch bewijs en het fysico-theologisch bewijs.

Kant is zich overigens terdege bewust van de onmogelijkheid om het bestaan van God te weerleggen. De speculatieve metafysica blijkt daarmee het merkwaardige domein waarin 'dingen' tegelijk wel en niet kunnen bestaan. De theorie is het domein waarin dingen wel of niet kunnen bestaan. De theorie is het (abstracte) oordeel dat de menigvuldigheid van de zintuigen en de ervaring ontstijgt, maar dus wel stevig verankerd is in de empirie oftewel het domein van de mogelijke ervaring. De omgekeerde weg kan ook bewandeld worden, dat is dan een oordeel (preciezer gezegd: hypothese) die in de empirie bevestigd wordt.

1.2 De transcendentale esthetica

Ruimte
Kant beschrijft twee "zuivere a priori aanschouwingen" oftewel aanschouwingsvormen, namelijk ruimte en tijd. Hij concludeert dat de ruimte "helemaal geen eigenschap (is) van deze of gene dingen", maar dat de ruimte "niets anders (is) dan de vorm van alle verschijningen van de uiterlijke zintuigen, dat wil zeggen de subjectieve voorwaarde van de zintuiglijkheid, waaronder alleen uiterlijke aanschouwing voor ons mogelijk is." Kant sluit echter zijn ogen niet voor de realiteit of de objectieve geldigheid van de ruimte en poneert "de empirische realiteit van de ruimte (ten aanzien van alle mogelijke uiterlijke ervaring), maar ook de transcendentale idealiteit ervan, dat wil zeggen we nemen aan dat de ruimte niets is, zodra we de voorwaarde voor de mogelijkheid van alle waarneming weglaten en haar opvatten als iets wat ten grondslag ligt aan de dingen op zichzelf."

Kant stelt zich de vraag of de ruimte een ding op zichzelf is oftewel of de ruimte als ding op zichzelf gekend kan worden, en zonder veel moeite verwijst Kant vragen over vermeende objectieve eigenschappen van de ruimte, bijvoorbeeld of de ruimte begrensd of oneindig is, naar de prullenbak, en terecht, omdat we dan, als we niet over onweerlegbaar bewijs beschikken, aan het speculeren zijn.

Tijd
Kant beschouwt ook de tijd als a priori aanschouwingsvorm, oftewel "een noodzakelijke voorstelling die aan alle aanschouwingen ten grondslag ligt" en als "de vorm van de innerlijke zintuiglijkheid, dat wil zeggen van het aanschouwen van onszelf en van onze innerlijke toestand. Want de tijd kan geen bepaling van uiterlijke verschijningen zijn; hij heeft niets te maken met gestalte, met positie etc., maar hij bepaalt de verhouding van de voorstellingen in onze innerlijke toestand." De oplettende lezer ziet een verschil met de ruimte als aanschouwingsvorm, want waar de ruimte "de zuivere vorm van alle uiterlijke aanschouwing is", is de tijd "de formele a priori voorwaarde voor alle verschijningen in het algemeen", inclusief dus een zekere innerlijke aanschouwing.

Kant schrijft voorts: "veranderingen zijn (alleen) in de tijd mogelijk, en dus is de tijd iets werkelijks. (...) Ik onderschrijf (dit) hele argument. De tijd is inderdaad iets werkelijks, namelijk de werkelijke vorm van de innerlijke aanschouwing. De tijd heeft dus subjectieve realiteit ten opzichte van de innerlijke verandering, dat wil zeggen ik heb werkelijk de voorstelling van de tijd en van mijn bepalingen in de tijd. De tijd moet dus als werkelijk worden beschouwd, niet als object, maar als de voorstellingswijze van mezelf als object. (...) De tijd behoudt dus zijn empirische realiteit als voorwaarde voor al onze ervaringen. (...) Hij is niets anders dan de vorm van onze innerlijke aanschouwing."

Kant stelt zich wederom de vraag of de tijd, net als de ruimte, een ding op zichzelf is oftewel of de tijd als ding op zichzelf gekend kan worden, en zonder veel moeite verwijst Kant ook vragen over vermeende objectieve eigenschappen van de tijd, bijvoorbeeld of de tijd een begin en einde heeft, naar de prullenbak, en terecht, omdat we dan, als we niet over onweerlegbaar bewijs beschikken, (weer) aan het speculeren zijn.

Besluit
Kant schrijft: "We beschikken (...) over zuivere a priori-aanschouwingen, ruimte en tijd, waarin we als we met een a priori-oordeel boven een gegeven begrip willen uitgaan, aantreffen wat niet in het begrip, maar wel in de aanschouwing die ermee correspondeert a priori kan worden ontdekt en met dat begrip synthetisch kan worden verbonden. Om deze reden reiken deze oordelen nooit verder dan de objecten van de zintuigen en gelden ze alleen voor objecten van mogelijke ervaring." 

Ruimte en tijd begrenzen of constitueren dus het domein van de mogelijke waarneming en de mogelijke ervaring, kortweg het empirisch domein en dus het kennisdomein. Tegelijk zijn ruimte en tijd ook een soort a priori schema's waarin al onze waarnemingen en ervaringen worden ondergebracht.

1.3 De transcendentale logica

Kant schrijft: “Onze kennis ontspringt uit twee fundamentele bronnen van de geest: de eerste is het vermogen voorstellingen te ontvangen (de receptiviteit van de indrukken), de tweede is het vermogen door deze voorstellingen een object te kennen (de spontaniteit van de begrippen [de begripsvorming])."

Drie niveaus van het kenvermogen
Kant onderscheidt drie niveaus van het kenvermogen oftewel de logica: het verstand, het oordeelsvermogen en de rede. De transcendentale analytica van de begrippen vormt de canon van het verstand, de transcendentale analytica van het grondbeginselen vormt de canon van het oordeelsvermogen en de transcendentale dialectiek vormt de canon van de rede. Kant schrijft: "Wanneer het verstand in het algemeen wordt gedefinieerd als het vermogen tot (het stellen/genereren van) regels, is het oordeelsvermogen het vermogen iets onder regels te subsumeren, d.w.z. te onderscheiden of iets wel of niet onder een gegeven regel valt." De rede is kortweg het genereren van ideeën, het opklimmen en afdalen door ideeën, en het bewegen tussen ideeën.

De dialectische schijn
Kant schrijft verder: "De oude en beroemde vraag, waarmee men de logici in het nauw dacht te drijven en ze trachtte te dwingen ofwel zich op beklagenswaardige cirkelredeneringen te laten betrappen, ofwel hun onwetendheid, en dus de ijdelheid van hun hele kunst te erkennen, is de volgende: Wat is waarheid?" Waarbij "men wil weten wat het algemene en zekere criterium voor de waarheid van iedere kennis is." Maar als men volgens Kant de logica als organon of instrument gebruikt voor de zoektocht naar waarheid, wordt de logica juist misbruikt. Als men de logica als canon gebruikt, wordt de logica volgens Kant goed gebruikt. Het gebruik van de logica als canon betekent het gebruik van de logica als een soort criterium of begrippenkader om waarheden en onwaarheden van elkaar te scheiden. De algemene logica als vermeend organon noemt Kant de dialectische schijn.

De analytica en de dialectiek
Vervolgens splitst Kant de transcendentale logica in de transcendentale analytica en de transcendentale dialectiek. De transcendentale analytica is: "Het deel van de transcendentale logica dat de elementen van de zuivere verstandskennis presenteert, alsmede de principes zonder welke niet één object gedacht kan worden". De transcendentale dialectiek is de "kritiek van de (bovengenoemde) dialectische schijn (...) Die kritiek ontmaskert de ongegronde (positieve) aanmatigingen van het verstand en de rede".

1.3.1 De transcendentale analytica van de begrippen

De basisoordeelsvormen van het zuivere verstand
De transcendentale analytica is volgens Kant de "ontleding van het verstandsvermogen zelf" en hij 'ontleed' het verstandsvermogen met behulp van zijn roemruchte tafels. De eerste tafel is de tafel van de verstandsvormen, of oordeelsvormen. Buiten de "oneindige oordelen", spreekt onderstaande tafel mijns inziens voor zich. Oneindige oordelen zijn oordelen die noch bevestigd noch ontkend kunnen worden, zoals "mensen hebben een (etherische) ziel" of "God bestaat".


De basisbegrippen van het zuivere verstand
De volgende tafel is de tafel van categorieën, oftewel de stambegrippen van het verstand, oftewel een soort fundamentele begrippen van het verstand.


Ik merk op dat ik de term "zelfstandigheid/autonomie", of de aanwezigheid/het bestaan zonder meer, voor de duidelijkheid zelf aan het schema heb toegevoegd. Ik merk ook op dat Kant zijn "modi van de zintuiglijkheid" buiten zijn tafels plaatst. Die modi zijn wel nuttige begrippen en zijn o.a.: wanneer, waar, plaats (locatie), eerder, tegelijkertijd, beweging, handeling en ondergaan.

Reflectie
Kant schrijft dat "alle zintuiglijke aanschouwingen zijn onderworpen aan de categorieën, die de enige voorwaarden zijn onder welke het menigvuldige der aanschouwingen in één bewustzijn kan worden verenigd". Maar 'in werkelijkheid' creëert hij principes en bouwt hij een omvangrijk denksysteem. Een andere belangrijke opmerking is dat bovenstaande categorieën "alleen dienen tot de mogelijkheid van empirische kennis" en "deze kennis heet ervaring". Buiten de toepassing op de empirie, is de toepassing van de categorieën dus zinloos, want inhoudsloos. Ik kan dus zeggen dat het oordeel "God bestaat" een oordeel is die in de categorie van de modaliteit valt, maar ik verwerp dit oordeel al op grond van het feit dat het oordeel het domein van mogelijke ervaring ontstijgt.

1.3.2 De transcendentale analytica van de grondbeginselen

Kant behandelt eerst "de zintuiglijke voorwaarde onder welke zuivere verstandsbegrippen uitsluitend gebruikt kunnen worden, d.w.z. het schematisme van het zuivere verstand" en daarna "de synthetische oordelen die onder deze a priori-voorwaarden uit zuivere verstandsbegrippen voortvloeien en aan alle overige a priori-kennis ten grondslag liggen, d.w.z. de grondbeginselen van het zuivere verstand."

De schema's van het zuivere verstand
De schema's van het zuivere verstand zijn:
- Kwantiteit en kwaliteit: grootte, graad en getal
- Substantie: bestendigheid/duur
- Causaliteit: opeenvolging/volgorde
- Gemeenschap (wisselwerking): gelijktijdigheid
- Mogelijkheid: voorstelling
- Werkelijkheid: het bestaan in een bepaalde tijd
- Noodzakelijkheid: het bestaan te allen tijde

De grondbeginselen van het zuivere verstand
Kant behandelt verder de volgende grondbeginselen van alle analytische oordelen respectievelijk alle synthetische oordelen:
- "Het is onmogelijk dat iets tegelijkertijd is en niet is." De speculatieve metafysica is juist het merkwaardige domein waarin dingen tegelijk wel en niet (kunnen) bestaan.
- "Elk object staat onder de noodzakelijke voorwaarden van de synthetische eenheid van het menigvuldige der aanschouwing in een mogelijke ervaring." 

Vervolgens stelt Kant een nieuwe tafel samen, dat de tafel van de grondbeginselen van het zuivere verstand is, zie het onderstaande schema.


Bij dit schema geldt het volgende:
1. "Het principe van de axioma's van de aanschouwing is: alle aanschouwingen zijn extensieve groottes."
2. "Het principe van de anticipaties van de waarneming is: het reële dat het object van gewaarwording is, heeft in alle verschijningen een intensieve grootte, d.w.z. een graad."
3. "Het principe van de analogieën van de ervaring is: ervaring is alleen mogelijk door de voorstelling van een noodzakelijke verbinding van (met) de waarnemingen."
            3.1 "Eerste analogie: het grondbeginsel van de bestendigheid van de substantie. Bij alle wisseling van de verschijningen blijft de substantie constant, en het quantum ervan in de natuur wordt groter, noch kleiner."
            3.2 "Tweede analogie: het grondbeginsel van de opeenvolging in de tijd overeenkomstig de wet van de causaliteit. Alle veranderingen vinden plaats volgens de wet van de verbinding van oorzaak en gevolg."
            3.3 "Derde analogie: het grondbeginsel van de gelijktijdigheid volgens de wet van de wisselwerking of de gemeenschap. Voor zover de substanties als gelijktijdig in de ruimte kunnen worden waargenomen, staan ze in volledige wisselwerking."
4.1 "Wat met de formele voorwaarden van de ervaring (wat aanschouwing en begrippen betreft) overeenkomt, is mogelijk." Die formele voorwaarden zijn (in de eerste plaats) ruimte en tijd.
4.2 "Wat met de materiële voorwaarden van de ervaring (van de gewaarwording) samenhangt, is werkelijk." Materieel is het aanwijsbare of aantoonbare.
4.3 "Datgene waarvan de samenhang met het werkelijke bepaald is volgens algemene voorwaarden van de ervaring is (existeert) noodzakelijk." Wat noodzakelijk is, is hetgeen dat niet alleen aanwijsbaar en aantoonbaar is, maar ook onvoorwaardelijk is.

Amfibolie
Kant maakt verder onderscheid tussen phaenomena (fenomenen) en noumena (concepten) en tussen een mundus sensibilis (zintuiglijke wereld) en een mundis intelligibilis (gedachte of denkbare wereld). Als Kant vervolgens spreekt over "de amfibolie van de reflectiebegrippen als gevolg van de verwisseling van het empirische gebruik van het verstand met het transcendentale" heeft hij het over de verwarring die ontstaat door de verwisseling van fenomenen met concepten en dus de verwisseling van de zintuiglijke wereld met de gedachte wereld. Merk op dat Wittgenstein in zijn Tractatus dezelfde soort verwarring bloot legde. Dit begrip gebruikt Kant om af te rekenen met de zuivere dichotomieën "gelijkheid en verschil", "overeenstemming en tegenstelling", "innerlijk en uiterlijk" en "materie en vorm".

Apperceptie
Kant schrijft ook: de apperceptie, en daarmee "het denken, gaat vooraf aan elke mogelijke bepaalde ordening van de voorstellingen. We denken dus iets in het algemeen en bepalen het enerzijds zintuiglijk, maar anderzijds onderscheiden we het algemene en in abstracto voorgestelde object van de die wijze waarop we het aanschouwen."

Het niets
Kant sluit de transcendentale analytica af met het begrip van het niets en hij ontwerpt de volgende tafel. De termen "afwezigheid", "verbeelding" en "het onmogelijke" heb ik zelf aan de tafel toegevoegd. De andere termen zijn letterlijk afkomstig van Kant.


1.3.3 De transcendentale dialectiek

De dialectiek
Ik merk eerst op dat de betekenis van dialectiek in de filosofie van Kant anders is dan de betekenis van dialectiek in de filosofie van Hegel. Waar Hegel doelt op het bewegen tussen stellingen (theses) en tegenstellingen (antitheses) en de creatie van nieuwe stellingen (syntheses), is de dialectiek volgens Kant "een logica van de schijn (...) die de menselijke rede onvermijdelijk aankleeft". Met schijn bedoelt Kant geen verschijning, maar het domein van zuivere ideeën, zonder vaste grond in de empirie.

Ideeën
Kant formuleert eerst het begrip van een idee: "Een waarneming die uitsluitend betrokken is op het subject, als de modificatie van zijn toestand, noemen we gewaarwording, een objectieve waarneming kennis. Kennis is ofwel aanschouwing, ofwel begrip. De aanschouwing is onmiddellijk op het object betrokken en (is) singulier; het begrip is er middellijk op betrokken (en is algemeen). Het begrip is ofwel een empirisch ofwel een zuiver begrip, en het zuivere begrip, voor zover dat uitsluitend uit het verstand voorkomt, noemen we notio (notie). Een uit noties opgebouwd begrip dat de mogelijkheid van de ervaring overstijgt, is een idee, of een redebegrip." En dus "zo begint alle menselijke kennis met aanschouwingen, van daaruit gaat ze naar begrippen en ze eindigt met ideeën."

Hoe test ik of ik te maken heb met een begrip, notie of idee? Kant schrijft: "men moet ofwel zijn uitspraak apodictisch (onweerlegbaar) bewijzen, ofwel, als dat niet lukt, de bronnen van dit onvermogen opsporen." En: "als die bronnen in de noodzakelijke beperkingen van onze rede liggen", moeten we 'men' elk recht op een bewering ontzeggen.

Ideeën zijn in Kants systeem dus per definitie metafysica, een samenstel van louter noties. De zuivere rede is de generatie van ideeën, het afdalen en opklimmen in ideeën en het bewegen tussen ideeën. In de zuivere ideeënwereld is dus geen sprake meer van apperceptie, maar alleen nog van noties, regressie en progressie of het afdalen en opklimmen in ideeën, (tegen)stellingen en synthesen of het bewegen tussen ideeën. Kant maakt wel expliciet ruimte maakt voor hypothesen, oftewel noties die nog bewezen moeten worden maar vooral noties die bewezen kunnen worden.

De basisideeën van de zuivere rede
Met dit begrip van idee, beschrijft Kant de volgende transcendentale basisideeën:
1. "de absolute eenheid van het denkende subject"
2. "de absolute eenheid van de reeks der voorwaarden van de verschijning", of "als het voorwaardelijke gegeven is, is ook de hele reeks van alle voorwaarden daarvan gegeven"
3. "de absolute eenheid van de voorwaarde van alle objecten van het denken"

Het eerste idee is het object van de psychologie, het tweede idee is het object van de kosmologie (en de natuurkunde), het derde idee is het object van de theologie. Het eerste idee is ook wel de ziel als substantie. Het tweede idee is ook wel de absolute totaliteit, of het totaal van de voorwaarden, tot een eerste oorzaak aan toe. Het derde idee is ook wel de absolute eenheid, tot een opperwezen aan toe. Met al deze ideeën en de ideeën die hieronder gehangen kunnen worden, zoals de oneindigheid, zuivere wetmatigheden (determinisme) en zuivere toevalligheid, rekent Kant af, hij bewijst dat niet één van deze ideeën waar is, want elk idee ontstijgt het domein van de mogelijke ervaring.

De kritiek op de oneindigheid licht ik kort toe. Om te concluderen dat iets oneindig is, moet je juist dat 'iets' helemaal kunnen overzien. De stelling 'iets is oneindig' herbergt dus een logische tegenstelling in zichzelf. Kant vervangt het begrip oneindigheid door het begrip onbepaaldheid

Ook de kritiek op het determinisme en de zuivere vrije wil oftewel zuivere toevalligheid licht ik kort toe: als alles zuiver door wetmatigheden, oftewel natuurwetten, werd bepaald, dan was alles herleidbaar en voorspelbaar, oftewel gedetermineerd. Dit is niet het geval. Als alles zuiver door de vrije wil werd bepaald, dan was juist alles toevallig (willekeurig). Dit is ook niet het geval. De synthese luidt in eerste instantie dat sommige gebeurtenissen door natuurwetten worden bepaald, en dus herleidbaar en voorspelbaar zijn, en dat sommige andere gebeurtenissen door toeval worden bepaald, en dus niet herleidbaar en voorspelbaar zijn. De synthese luidt uiteindelijk dat niets zuiver door natuurwetten wordt bepaald en dat niets zuiver door toeval wordt bepaald. Kortweg geldt: alles is meer of minder deterministisch en ook meer of minder toevallig.

Het praktische belang van de ideeën van de zuivere rede
Vervolgens maakt Kant de stap naar het belang van de transcendentale basisideeën oftewel het praktische belang van die ideeën, los van hun [theoretische] waarheid. Hij noteert: "Ten eerste (hebben de basisideeën) een bepaald praktisch belang, dat ieder welgezind mens van harte deelt als hij zijn ware voordeel begrijpt." Ik vul dit praktische belang in met het nut; in andere verhalen (door andere filosofen) wordt dit belang of ideaal echter scherp bekritiseerd. Daarnaast heeft de rede (volgens Kant) een praktisch en moreel belang; de rede voert Kant naar morele grondslagen. Verder "uit zich ook een speculatief belang van de rede. Want als we de transcendentale ideeën zo (als objecten) opvatten en gebruiken, kunnen we de hele keten van voorwaarden volledig a priori vatten." Hieraan ligt mijns inziens een soort idealisme aan ten grondslag, net zoals bij Hegels absolute weten. Voorts is er "het voordeel van de toegankelijkheid." Kant schrijft hierover: "Als een mens van elk belang zou kunnen afzien en de beweringen van de rede, ongeacht hun gevolgen, louter naar het gehalte van hun gronden kunnen beschouwen, en gesteld dat hij geen andere uitweg uit zijn benardheid zou zien dan zich voor de ene of de andere van de conflicterende partijen uit te spreken, dan zou hij in een toestand van voortdurende twijfel verkeren. (...) U moet dus alleen zorgen dat u het (met behulp van de basisideeën) met uzelf eens wordt." En daarbij:"Wie alle problemen wil oplossen en alle vragen wil beantwoorden, geeft blijk van onbeschaamde grootspraak en van zoveel eigendunk, dat hij meteen ieder vertrouwen moet verliezen."

Het ideaal van de zuivere rede
Kant schrijft: "alle conclusies die ons het domein van de mogelijke ervaring willen doen ontstijgen (zijn) bedrieglijk en op niets gebaseerd. (Maar) de menselijke rede heeft ook een natuurlijke hang om deze grenzen te overschrijden, en voor (de rede) zijn transcendentale ideeën even natuurlijk als de categorieën voor het verstand, zij het met dit onderscheid, (dat) de eerste louter een illusie scheppen, die zo onweerstaanbaar is dat men haar misleiding zelfs door de scherpste kritiek nauwelijks kan verhinderen." Kant stelt verder "dat de transcendentale ideeën nooit constitutief mogen worden gebruikt, nooit zo dat daardoor begrippen van bepaalde objecten worden gegeven (...) Maar ze kunnen wel op een voortreffelijke en onontbeerlijk noodzakelijke wijze regulatief worden gebruikt: ze kunnen het verstand namelijk op een bepaald doel richten, waarin de richtingslijnen van al zijn regels in één punt samenkomen. Dat punt is weliswaar slechts een idee (...) maar toch dient het ertoe om die begrippen de grootst mogelijke eenheid en de grootst mogelijke uitbreiding te geven." 

Kant vult daarna het ideaal van de zuivere rede nader in, en hij schrijft: "De eerste stap die we buiten de zintuiglijke wereld doen, dwingt ons om voor het verwerven van nieuwe kennis te beginnen bij het onderzoek naar het absoluut noodzakelijke wezen." Kant brengt zelf dit idee terug op aarde, door af te zakken naar het ideaal van de algemene gelukzaligheid en door het zelfbedachte opperwezen daarbij als een soort lichtend voorbeeld te zien.

De basisbegrippen van de zuivere rede
Uit bovengenoemde basisideeën leidt Kant nog drie basisbegrippen af:
1. het principe van de gelijksoortigheid onder klassen (homogeniteit)
2. het principe van de verscheidenheid van het gelijksoortige onder lagere soorten (specificatie)
3. een wet van de affiniteit van alle begrippen (continuïteit/samenhang)

Alle ideeën worden daarmee gekwalificeerd als aggregaties of abstracties (homogenisaties), of juist verbijzonderingen (specificaties). De affiniteit van de begrippen valt uiteen in onder meer de begrippen "verwantschap", "verscheidenheid" en "eenheid".

2. De discipline van de zuivere rede

De rede moet volgens Kant discipline betrachten, oftewel de positieve, scheppende drang van de rede moet worden beheerst. Dit kan op vijf manieren.

Allereerst moet de rede discipline betrachten met betrekking tot haar analytische oftewel dogmatische gebruik: “de rede mag in haar transcendentale streven (de hele ideevorming) niet met al te veel vertrouwen voor zich uit kijken, alsof de weg die ze heeft afgelegd rechtstreeks naar het doel leidt; en ze mag niet al te gemakkelijk op haar basispremissen rekenen, alsof het onnodig zou zijn steeds om te zien en te kijken of er in de voortgang der conclusies geen fouten zitten die in de principes onopgemerkt bleven en haar nopen die nader te bepalen of totaal te veranderen.” Kortom, beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Kant vergelijkt nog de analytische rede met de wiskunde. Het verschil daartussen is dat in de wiskunde alleen geconstrueerde begrippen worden gebruikt.

Ten tweede moet de rede discipline betrachten met betrekking tot haar dialectische of polemische gebruik, want in veel discussies geldt: beide partijen vechten met de lucht, en bakkeleien met hun schaduw, want ze gaan boven de natuur uit, waar niets is dat hun dogmatische greep houvast biedt. Ze kunnen vechten wat ze willen; de schaduwen die ze aan stukken slaan, groeien als de helden in het Walhalla ogenblikkelijk weer aaneen, zodat ze zich opnieuw met bloedeloze gevechten kunnen vermaken."

Ten derde moet de rede discipline betrachten met betrekking tot ideevorming: “het is niet toegestaan om (bijvoorbeeld) nieuwe oorspronkelijke krachten te bedenken, of een nieuw soort substanties” oftewel “onze rede kan alleen de voorwaarden voor mogelijke ervaring als voorwaarden voor de mogelijkheid van dingen hanteren; maar ze kan nooit zomaar zelf begrippen scheppen die daarvan volstrekt onafhankelijk zijn, omdat zulke begrippen weliswaar niet zouden kunnen worden weerlegd, maar ook geen object zouden hebben.” Het speculatieve gebruik van de rede heeft alleen geldigheid “in betrekking tot tegengestelde transcendentie pretenties", oftewel in de strijd daartegen.

Ten vierde moet de rede discipline betrachten met betrekking tot bewijzen en Kant beschrijft hiervoor meerdere regels. De eerste regel is: de rede moet “eerst de objectieve geldigheid van de begrippen en de mogelijkheid van hun a priori-synthese aantonen” oftewel de rede “mag geen transcendentale bewijzen proberen te leveren zonder eerst te overwegen waar men de grondbeginselen vandaan wil halen waarop men die bewijzen denkt te baseren, en met welk recht men er goede resultaten voor de conclusies van verwacht.”

De tweede regel m.b.t. de bewijzen “is dat er voor elke transcendentale uitspraak slechts één enkel bewijs kan worden gevonden”, dus “als men de dogmaticus met tien bewijzen ziet optreden, kan men er zeker van zijn dat hij er niet één heeft.”

De derde regel m.b.t. de bewijzen is dat de bewijzen niet apagogisch (uit het ongerijmde) maar ostensief moeten zijn (aantonend). Het apagogische bewijs heeft soms echter wel het voordeel van de evidentie boven het aantonende, directe bewijs. Zo is het argument “er is geen bewijs dat God niet bestaat” in de beleving krachtiger dan het argument “er bestaat geen enkel bewijs voor het bestaan van God”. Terwijl als ik God vervang door een vliegende theepot op lichtjaren afstand van de aarde, niemand dat kan bevestigen of weerleggen, maar ik door niemand wordt geloofd (naar: Russell). Het verschil tussen het geloof in God en het geloof in de vliegende theepot wijt ik hoofdzakelijk aan de status die het idee van God door de jaren heen heeft verworven. Kortweg is het apagogische bewijs of de apagogische methode meer een kwestie van begoocheling dan overtuiging.

Ten vijfde mogen we ons geweten niet verloochenen.

3. Slotopmerking of het belang en de doelen

Zoals hiervoor al is gesuggereerd, dien het kwaliteitssysteem het nut. Het nut als doel of als ideaal is niet onomstreden, zie onder meer het verhaal over de Dialectiek van de Verlichting. Het voordeel van het nut is wel dat aan het nut doelen kunnen worden gekoppeld. Die doelen zijn kortweg het voorkomen van fouten en het uitbreiden van ons begrip. In deel B zijn, voortbordurend op die doelen, ook nog een aantal nuttige denkprincipes of denkgereedschappen beschreven.

maandag 4 december 2017

Dogma's, macht en de waarheid over Zwarte Piet.

Stel, er bestaat een gemiddelde Zwarte Piet en je maakt een foto van die gemiddelde Zwarte Piet van pakweg twintig jaar geleden, van tien jaar geleden, vijf jaar geleden, één jaar geleden en van nu. Dan zul je zien dat de gemiddelde Zwarte Piet verkleurt of dat zijn zwarte kleur vervaagt. De oorzaak is ook duidelijk: er kwamen en er zijn mensen die graag van Zwarte Piet af willen, of die Zwarte Piet willen veranderen. Hier tegenover staan mensen die Zwarte Piet helemaal niet willen veranderen, of die dat niet nodig vinden. Het is deze omstandigheid, met twee tegengestelde krachten, een krachtenveld die er voorheen niet was, of die zich voorheen niet manifesteerde, die dicteert dat de gemiddelde Zwarte Piet anno 2017 niet meer zwart kan zijn. Aan deze - neutrale - analyse kunnen Arjen Lubach (1) en ook GeenStijl (2), met hun goedbedoelde adviezen over Zwarte Piet, wat mij betreft nog een puntje zuigen. Want zodra de tijden oftewel het krachtenveld weer veranderen, lopen zij, net als alle anti-Pieten en pro-Pieten, achter de feiten aan.

Dus, opgelost? Nee, nog niet, want de anti-Pieten en de pro-Pieten nemen hier geen genoegen mee. Ze zullen ook zeggen dat ik met alle winden meewaai, of dat ik geen stelling neem. Vooruit dan maar. Ik werk mij een weg door de veelgebruikte "argumenten", om dan uiteindelijk stelling te nemen, en zelfs praktische adviezen te geven.

"Zwarte Piet is racisme"
Enerzijds: de gelijkenis van Zwarte Piet met een racistisch stereotype (met zwarte huid, krullend haar, gouden oorbellen en grote, rode lippen) is onmiskenbaar, en roept herinneringen op aan een donker verleden. Dus is het logisch dat mensen hier aanstoot van nemen of zelfs gekwetst kunnen zijn en dat er ophef ontstaat (3).

Anderzijds: Zwarte Piet gelijkstellen aan racisme is een uitvergroting, een overdrijving, een karikatuur op zichzelf en de onterechte verdachtmaking, beschuldiging of veroordeling van miljoenen mensen wier enige 'misdaad' de viering van Sinterklaas is, zonder enig racistisch motief of enige racistische associatie daarbij, en voor wie Zwarte Piet juist symbool staat voor een onschuldig feest, of zelfs een onschuldige jeugd.

Synthese: het argument "Zwarte Piet is racisme" valt uiteen in de waarneming, of de indrukken van buitenaf, en de projectie van binnenuit, oftewel de eigen ervaring, gedachten en (voor)oordelen. Het argument zegt minstens evenveel over de degene die het argument uitspreekt en/of degene die het argument tegenspreekt, als over Zwarte Piet.

"Zwarte Piet is een reflectie/symbool van institutioneel (diepliggend) racisme" (4)
Institutioneel racisme betekent: "we zijn er ons niet van bewust dat we racistisch handelen en proberen het zelfs zoveel mogelijk uit te sluiten, maar toch sluipt het binnen in ons denken en handelen. (...) De Franse filosoof Michel Foucault benoemt en verklaart dit fenomeen met de term ‘discours’ (PvW: de taal, specifiek de spreektaal en nog specifieker de structuren in de spreektaal, inclusief de impliciete (voor)oordelen die daarin schuilen). (...) Het discours creëert kennis en kan een ‘waarheidsregime’ produceren. De subjecten van het discours worden hier aan onderworpen, waardoor de producenten van het discours macht verwerven over deze subjecten. (...) Racisme bestaat dus niet enkel op individueel en subjectief niveau, maar kan door velen worden gedeeld als een waardesysteem in de samenleving. (...) Institutioneel racisme sluipt overal in onze samenleving en in ons denken. Wanneer we jongeren, vaak allochtone jongeren, als probleemjongeren benaderen terwijl ze dit in spe niet zijn, klopt er iets niet. Het gaat om constructies van de dominante elite, van diegenen die de macht in handen hebben, vaak in samenspel met de media" (5). Er wordt hierbij ook gesproken over "global white supremacy" (6).

Enerzijds geldt: witte, autochtone, Nederlandse mensen, en dan vooral die in de sociaaleconomische midden- en bovenklasse, delen in Nederland de lakens uit en maken een bovengemiddeld grote kans op een gezond, welvarend en comfortabel leven. Het maakt gewoon uit waar je ter wereld komt en wie je ouders zijn (7). Voorts leid ik uit de autochtone discours geen positief beeld van de allochtone dan wel zwarte of donkere medemensen af (8) en is er ook sprake van reële discriminatie, zo heeft Mark meer kans op een baan dan Mohammed (9). Er is dus sprake van ongelijkheid en discriminatie en racisme speelt daarin een rol. En Zwarte Piet kan worden gezien als een uiting (en symbool) van institutioneel racisme, maar nog niet eens zozeer omdat Zwarte Piet een racistisch stereotype zou zijn, maar vooral vanwege het feit dat veel witte mensen de discussie afdoen met "doe normaal" (10) of "prietpraat" (11) en dus denken te kunnen bepalen wat wel en wat niet belangrijk is, of denken dat ze afwijkende meningen kunnen onderdrukken.

Anderzijds geldt: uit de autochtone discours kan men ook een minachting en discriminatie van vrouwen, ouderen, werklozen, daklozen, verslaafden, de jeugd, laagopgeleiden, gelovigen, Limburgers, homo's, zwaarlijvigen, korte mensen, zieken, manken, blinden, doven en geestelijk gehandicapten afleiden, en dan ben ik helaas nog lang niet volledig. Sterker, uit elk discours kan men minachting en discriminatie van één of andere groep afleiden. Die andere vormen van discriminatie zijn ook reëel: zo krijgen lange mensen meer betaald dan korte mensen (12), krijgen mannen meer betaald dan vrouwen (13) en komen oudere werknemers moeilijk aan een nieuwe baan. De discussie over (institutioneel) racisme is daarmee de verenging of versmalling van de discussie over (allerlei vormen van) discriminatie, en het (natuurlijke?) hokjesdenken. Aan ongelijkheid liggen verder nog andere factoren dan (discriminatie op basis van) groepskenmerken ten grondslag (14), waaronder iemands fysieke voorkomen, intelligentie, taalvaardigheid, gedrag, houding, doorzettingsvermogen, kapitaal en contacten. Verder, als een discours woorden zoals "de dominante elite" en "white supremacy" bevat, meet men zich een slachtofferrol aan en hanteert men bovendien hetzelfde soort discours als dat van andere 'wereldverbeteraars', complotdenkers en machtswellustelingen, en werpt men juist de verdenking op zichzelf (15). Ik moet nu wel uitkijken dat ik het probleem niet teveel verklein, maar ook moest ik afrekenen met een te grove abstractie van een meervoudig probleem.

Synthese: nadat Zwarte Piet is uitgebannen, zullen de kaarten wat betreft racisme, discriminatie en ongelijkheid niet wezenlijk anders geschud zijn. Zwarte Piet is een politiek symbool geworden, de speelbal in een machtsstrijd.

"De reacties op de discussie zijn een reflectie van institutioneel racisme"
Enerzijds: de discussie over Zwarte Piet maakt heftige reacties bij mensen los, dat gaat zover als keiharde bedreigingen en racistische beledigingen. Mensen die beledigen en bedreigen zijn mijns inziens bij voorbaat uitgeluld. Voorts kunnen hun uitingen inderdaad worden gezien als uitingen van (latent) racisme.

Anderzijds: door Zwarte Piet gelijk te stellen aan racisme, is de discussie direct op scherp gezet. Het is voor velen een ijskoude douche, de veroordeling van henzelf en hun naasten, in veel gevallen of grotendeels onterecht (zie het eerste argument). Het anti-Piet kamp kan dus ook worden verweten dat ze oogkleppen op hebben, precies zoals ze andere mensen en vooral de pro-Pieten verwijten. De koude douche leidt bij sommigen tot een heftige emotionele reflex, die men via internet bovendien makkelijk kan ventileren, en waarvan men later misschien wel spijt krijgt, zoals wel meer internethooligans spijt krijgen (16). Opnieuw moet ik uitkijken dat ik het probleem niet teveel verklein, andersom mag men ook niet al te gemakkelijk generaliseren.

Synthese: de leus "Zwarte Piet is racisme" werkt polarisatie in de hand. Bij bepaalde mensen werkt de leus als een rode lap op een stier. Die mensen laten zich kennen. Hetzelfde geldt voor de mensen die de leus bezigen.

"Zwarte Piet is historisch gezien geen racistisch figuur"
Enerzijds: analyses inzake de historische wortels van Zwarte Piet nuanceren zijn racistisch voorkomen, of zijn racistisch gehalte, totdat al het racisme in Zwarte Piet is opgelost, of weggepoetst (2+17+18).

Anderzijds: Sinterklaas is geen feest van of voor wetenschappers of historici en de bovengenoemde historische analyses zijn grotendeels rationalisatie achteraf. Verder doet de geschiedenis van Zwarte Piet niet veel af aan zijn huidige voorkomen, of aan de actuele perceptie van Zwarte Piet.

Synthese: de historische analyse toont vooral dat Zwarte Piet door de jaren heen is veranderd, sterker, het hele Sinterklaasfeest is door de jaren heen veranderd. Hetzelfde geldt voor de samenstelling van het Nederlandse publiek (of "de gemiddelde Nederlander") en dus voor de (doorsnee) perceptie van Zwarte Piet.

"Zwarte Piet is traditie"
Enerzijds: tradities komen en gaan of veranderen en tradities zijn ook niet zonder meer het behouden waard. Dit geldt ook voor het Sinterklaasfeest inclusief Zwarte Piet, zie het voorgaande punt.

Anderzijds: tradities zijn gebruiken waaraan mensen identiteit ontlenen of op een andere manier waarde aan hechten. Je kunt tradities dus niet zomaar of zonder meer van mensen afpakken of hun tradities wegpoetsen. Dat geldt zeker voor het Sinterklaasfeest inclusief Zwarte Piet, omdat de huidige lichting Nederlanders die traditie nog persoonlijk heeft meegemaakt. Je krijgt mensen dan zelfs zo gek dat ze een snelweg blokkeren (19).

Synthese: veel tradities veranderen, zo ook het Sinterklaasfeest inclusief Zwarte Piet, maar de verandering van tradities vraagt tijd, dat leg je niet van de ene op de andere dag aan mensen op.

"Sinterklaas is een kinderfeest"
Enerzijds: kinderen mogen kind zijn en dus kun je ze beter niet vermoeien met politiek. En wie een kinderfeest verstoort met een (politieke) demonstratie, drukt de feestvreugde van velen. Waarschijnlijk beleven de demonstranten wel dolle pret, want demonstreren doet men ook, of vooral, voor de verheffing van zichzelf en zijn of haar medestanders.

Anderzijds: wie denkt dat het voor kinderen uitmaakt welke kleur Piet heeft, is vergeten dat hij of zij vroeger niet zag dat de Sint toch vaak pover voor de dag kwam en dat sommige Pieten afgetrapte Nikes droegen, half-half geschminkt waren of zelfs borsten hadden. De waarneming van kinderen wordt gedomineerd door hun verbeelding en je kunt ze bijna alles wijsmaken.

Synthese: hoewel de volwassenen een feest voor kinderen organiseren, hechten ze zelf nog het grootste belang aan de vorm en inhoud van het Sinterklaasfeest, en daarmee ook aan de kleur van Piet.

"We moeten onze oren niet laten hangen naar een schreeuwerige minderheid"
Enerzijds: het schijnt dat de meerderheid van de Nederlanders Zwarte Piet nog steeds wil behouden (20).

Anderzijds: het schijnt dat alleen een deel van de Nederlanders en misschien ook wat Vlamingen Zwarte Piet willen behouden, en dat we, als het over Zwarte Piet gaat, buiten onze landsgrenzen met de nek worden aangekeken. Bovendien staan steeds meer mensen binnen Nederland open voor verandering.

Synthese: de meerderheid van de Nederlanders wil of wilde vooral niet over (de verandering van) Zwarte Piet nadenken of daarover spreken. Men is de discussie eerder moe of zat dan dat de discussie in het voordeel van een bepaalde partij is of wordt beslecht (20).

"Er is een kloof tussen de Randstad en de provincie"
Enerzijds: de anti-Pieten in de bussen naar Dokkum kwamen uit de Randstad en de andere anti-Pieten op TV schijnen vooral in de Randstad te wonen.

Anderzijds: er is vooral een kloof tussen hoogopgeleide mensen, en dan vooral hoogopgeleide en rijke mensen, aan de ene kant, en lager opgeleide mensen, en dan vooral laagopgeleide en arme mensen, aan de andere kant (21). En het eerstgenoemde kamp doet zich voor als intelligent, tolerant en kosmopolitisch en schildert het andere kamp af als dom, bekrompen en nationalistisch. Andersom wordt het eerstgenoemde kamp afgeschilderd als idealisten, betweters en drammers en doet het tweede kamp zich voor als nuchter en als de vertegenwoordiging van het gezonde verstand.

Synthese: het hele argument is niet meer dan de verheffing van een kenmerk van een groep (zoals woonplaats of opleidingsniveau) tot het wezen van een groep en/of een individu en dat is precies het (natuurlijke?) mechanisme dat vooroordelen en discriminatie in de hand werkt, ongeacht welk groepskenmerk, zoals afkomst, huidskleur, geslacht, leeftijd of opleiding. We zijn met dit argument dus weer terug bij af. In de kern botsen er verschillende wereldbeelden, die elk mens kan bezitten, lid van willekeurig elke groep.

"Het is een non-discussie"
Enerzijds: het is inderdaad een hoop politiek en symbolisch gespin en weinig inhoudelijke wol, dat leid ik af uit al het voorgaande.

Anderzijds: het knettert en het schuurt, op TV en op straat, en we kunnen daarom niet zonder meer aan de discussie voorbijgaan.

Synthese: er is een beerput opengetrokken, maar dan niet één vol racisme, maar één vol dogmatisme. Want alle besproken argumenten falen en toch domineren die argumenten de reeds jarenlange en voortdurende discussie, of men houdt aan die argumenten vast. Reeds de duur van de discussie geeft een kijkje in haar ware aard; van een inhoudelijke discussie over ongelijkheid, discriminatie en racisme is geen sprake. Sterker, de discussie over Zwarte Piet vervormt of verstoort die inhoudelijke discussie.

"Kom in verzet"
De discussie over Zwarte Piet is een politieke strijd oftewel een machtsstrijd, en niet of nauwelijks een proces van waarheidsvinding. De argumenten in die strijd zijn dogma's en dogma's zijn de vehikels van macht, en dogma's kunnen ook alleen bestaan bij de gratie van macht. Ik herinner mensen hierbij enerzijds aan de historische uitspraak dat, als men een grote leugen maar blijft herhalen, mensen de leugen ook zullen gaan geloven. De discussie en de politieke strijd zijn anderzijds niet geheel inhoudsloos, ze zijn ook de gevolgen of uitingen van schuivende machtsverhoudingen in de maatschappij, oftewel een verander(en)d krachtenveld, of, positiever gesteld, ze zijn ook de gevolgen of uitingen van de (toegenomen) aandacht voor ongelijkheid, discriminatie en racisme en misschien zelfs de emancipatie van de zwarte of donkere mensen.

Niettemin geldt voor het anti-Piet kamp: zelfs een overwinning betekent niet dat u gelijk hebt, want een (dogmatische) machtsstrijd leidt nooit tot overeenstemming of wederzijds begrip, maar alleen tot een soort overgave en schijnbare vrede oftewel een staking van de strijd. En de mensen in het pro-Piet kamp kunnen zich troosten met het feit dat aan het anti-Piet kamp gezeur, betweterij en een soort slachtofferschap kleven. Anderzijds, ook het pro-Piet kamp heeft nooit gelijk en aan dat kamp kleven dan weer een soort conservatisme en bekrompenheid. 


Moet ik mij dan afzijdig houden? Nee, want een kijkje in de geschiedenis leert mij dat, als de ene groep dogmatici de strijdt aanbindt met de andere groep dogmatici, de gevolgen gruwelijk kunnen zijn. Ik moet dus juist mijn pijlen op beide, of alle, strijdende partijen richten. Ook, of vooral, in andere, gewichtigere kwesties dan Zwarte Piet. Vrij baan dus voor de rede, die in dit geval, en in bijna alle gevallen, geen partij kiest, maar strijdt tegen het wijdverbreide infantiele zwart/wit denken (22) en ruimte schept voor de bespreking van reële problemen, zoals ongelijkheid en discriminatie, zonder de hele tijd te zwartepieten (23). De praktische vraag is dan nog: mag ik Piet zwart schminken of niet? Op kleine schaal is dat afhankelijk van jezelf en je omgeving. Peil nu en elk jaar de sentimenten en de verhoudingen in je familie, vereniging, organisatie, woonplaats of gemeente, en maak dan een keuze. Op grote, landelijke, schaal, oftewel in de media, kunnen anno 2017 echter niet alleen maar zwarte Pieten worden getoond, zoals de huidige omstandigheid of het huidige krachtenveld dicteert.

(1) https://www.youtube.com/watch?v=KjosGL5YwPw
(2) https://www.geenstijl.nl/5139612/zwarte-piet-racistische-lange-arm-van-de-sultan/
(3) https://www.nu.nl/binnenland/3819757/vn-werkgroep-vindt-zwarte-piet-racistisch.html
(4) http://stopblackface.com/statement-kozp-fuck-de-koning-fuck-zwarte-piet-fuck-institutioneel-racisme/
(5) https://intercultureelburgerschap.wordpress.com/institutioneel-racisme/
(6) https://publicstatementzp.wordpress.com
(7) https://www.cbs.nl/-/media/imported/.../49/2015-armoede-en-sociale-uitsluiting.pdf
(8) https://joop.bnnvara.nl/opinies/stop-met-het-kapen-van-martin-luther-king
(9) https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2010/Liever_Mark_dan_Mohammed
(10) https://www.telegraaf.nl/nieuws/1339858/rutte-over-zwarte-pieten-doe-even-normaal
(11) https://www.metronieuws.nl/nieuws/showbizz/2017/11/johan-derksen-boos-op-grachtengordel-en-anti-pieten
(12) https://www.nrc.nl/nieuws/2015/05/26/lange-mensen-verdienen-meer-en-nu-lijkt-duidelijk-te-zijn-waarom-a1496364
(13) https://loonwijzer.nl/home/vrouwenloonwijzer/beloningsverschillen-m-v/beloningsverschillen-m-v#waarom-verdienen-vrouwen-gemiddeld-minder-dan-mannen
(14) https://www.cbs.nl/-/media/imported/documents/2005/06/2005-k1-v4-p039-art.pdf
(15) https://intellectuelevrijplaats.blogspot.nl/2017/08/er-ist-wieder-da-of-de-film-de.html
(16) https://www.lindanieuws.nl/nieuws/fragmentgemist/sunny-bergman-belt-haters-op-u-vindt-dat-ik-moet-worden-doodgeslagen/
(17) https://www.wildgeraasdefilm.nl/blog/nieuws/nepnieuws-en-zwarte-piet/
(18) https://www.annistonstar.com/columnists/brett_buckner/meet-the-krampus-the-horned-demon-of-christmas/article_79c5eb84-9f5b-11e5-a061-5797f48a6f41.html
(19) https://www.nrc.nl/nieuws/2017/11/18/en-dan-op-de-a7-snijdt-een-auto-de-anti-pietcolonne-af-14090400-a1581728
(20) https://www.nrc.nl/nieuws/2017/11/24/steun-voor-zwarte-piet-neemt-heel-langzaam-af-14217538-a1582582
(21) https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2015/02/25/nederland-2035-trends-en-uitdagingen
(22) Stephen Fry: “Life is complicated and nobody wants to believe it. I suppose you might call it the infantilism of society. There is deep infantilism in the culture, in terms of the way they think, they can’t bear complexity. That you have to think, there are gradations, nobody wants that, they want to be told and to say: ‘This is good, this is bad’.”
(23) "zwartepieten" is een werkwoord en het betekent zoiets als "voortdurend elkaar de schuld proberen te geven".